Conrad


Het was al bijna donker toen er naast de brug mensen samenkwamen om elkaar wijs te maken dat er meer is dan vrijheid alleen. Ze spraken over de maatschappij die ons gevangen houdt en stonden rondom een zelfgemaakt kampvuur. Het stapeltje hout maakte plaats voor lege flessen drank en in elkaar getrapte blikjes bier vol sigarettenpeuken. Daar vond ik gister de ruimte waar Conrad had geslapen, eigenlijk alsof hij daar thuis hoorde en er wilde blijven om niet meer weg te gaan. Ik kon bijna de afdruk van zijn slaapmatje voelen in het zand waarop de mensen zaten. Warm. Daarnaast zijn half opgerookte sigaret. Maar toen ik het vroeg had niemand hem gezien.
  Samen met zijn half gevulde rugzak had hij het matje meegenomen die we later in de bosjes naast het snel stromende water tegenkwamen. Hij is nu sinds een paar weken verdwenen en wil niet meer worden teruggevonden nadat mijn moeder had geroepen: ‘Wat ga jij doen met dat slaapmatje?’, terwijl ze eigenlijk al maanden heel goed aanvoelde dat hij niet wilde blijven, en mijn vader de kamer binnenliep maar wijselijk zijn mond hield toen hij de situatie aanschouwde en mijn moeders afhangende schouders zag waarin berusting lag, zonder kwade opzet en zonder enthousiasme.
  Ik weet best dat Conrad niet wegging om te verdwalen, hij ging enkel naar een plek waar zijn gedachten gestructureerd op hem lagen te wachten. Dat merkte ik aan de slaap in zijn ooghoek vlak voordat hij vertrok. Onzeker. Dat dan weer wel, omdat ik misschien toch niet zo veel leek op mijn broertje als ik dacht.
  Hij had in ieder geval niet de woorden gevonden om het ons uit te leggen toen hij zo ongeduldig was de deur uit te gaan en zenuwachtig zijn overeind staande haren gladstreek, het resultaat van een onrustige nacht zonder veel slaap. En een brief maakt de gewone dingen vaak opeens zo belangrijk.
  We hebben zijn spullen bewaard.
  Deze middag prikte er teleurstelling in mijn ogen terwijl er zware druppels naar beneden vielen en ik de weg wilde oversteken om gewoon een tram te pakken die me naar huis zou brengen. Zonder te moeten wachten.
  Op dezelfde plaats had Conrad gestaan zonder te twijfelen of hij moest gaan, met een leegte die niet langer meer te vullen was. Ik bleef staan en keek naar de zwarte lucht boven mij, niet donkerder dan de diepte die hij had opgezocht toen hij besloot te springen — was het eenzaam geweest daarboven? — en ik keerde me om, om te zien of er dan ergens anders wel blauwe lucht tevoorschijn zou komen, maar er was geen blauw te zien dat gewoon op een onbewolkte hemel leek. Alweer niet. Er waren alleen mensen in trams en auto’s op weg naar niets in het bijzonder. Gemaakt. Zonder toevoeging. Ik wilde ze daar laten zitten, met hun rug tegen een rugleuning terwijl ze zinloze gebaren maakten. Eeuwig onderweg. En ik hoopte dat ik ze nooit meer zou tegenkomen. Dat ze allemaal zouden vallen of springen van iets hoogs. Maar ze kwamen altijd weer terug zodra er uitverkoop was in de stad.
  En op de een of andere manier tel ik uren, probeer ik vooral de tijd opgemerkt voorbij te laten gaan. Conrad komt niet terug.
 En ik had zo graag gewonnen deze keer, om even te voelen hoe het had kunnen zijn om een broer te vertrouwen die genoegen nam met minder.
  Was hij vergeten hoe dat was, jezelf staande te houden ten koste van de ander, zoals hij vroeger zo gemakkelijk deed tijdens onze vechtpartijtjes en zoals we al talloze keren hadden besproken op zijn kamer naast zijn computer waar hij de hele dag joints rookte of iets schreef op een los velletje A4 papier?
  ‘Heb jij niemand nodig?’, vroeg ik hem. Maar hij zweeg terwijl hij me aankeek.
  De laatste keer dat ik hem sprak discussieerden we over mensen die het recht op geluk als vanzelfsprekend beschouwden en er altijd meer van wilden.
  Hij zei: ‘Die zoektocht naar geluk terwijl het leven eindig is, is verspilde moeite. We zijn toch allemaal bestemd om uiteindelijk nergens aan te komen.’ Hij knikte. Zijn hand zocht naar de aansteker op het kleine bijzettafeltje.
  Meestal praatte hij alsof hij de dingen wilde verbergen in plaats van ze te willen zeggen en hij keek op zijn horloge alsof de tijd te snel vooruit ging en hij hem in de gaten moest houden. Ik pakte de joint die hij tussen zijn duim en wijsvinger klemde. ‘Hoe sussen we dan elkaars geweten, en die van onszelf, als geluk ons niet constant bevredigt?’
  Hij zei: ‘Nou gewoon, met liefde en vanzelfsprekende gelijkwaardigheid,’ en hij keek me geamuseerd aan.
  Maar toch had hij geen idee, want er zijn geen grenzen meer waar dan ook, en het was Conrad die niet tevreden was met veel meer dan de gewone liefde die ik hem gaf. Evenals mijn moeder trouwens. Hij misgunde het mij te laten winnen. Net zoals ik het mezelf had misgund te hopen dat hij wilde blijven voor mij. Ik handelde tegen mijn principes en keek alleen maar toe. Zo gaan die dingen.
  Toen ik deze middag zeiknat thuis kwam omdat ik niet met de tram naar huis wilde, was ik blij dat ik gedurende de avond onder mijn eigen dekbed zou slapen, naast de slaapkamer waar ook Conrad thuis hoorde te zijn. Maar er was geen twijfel aan de manier hoe hij zich ongestoord naar beneden had laten vallen, — waaiden je haren voor je gezicht toen je naar beneden keek? — hij wist wat hij niet zou bereiken.
  Ik loop naar mijn kamer om een handdoek te pakken en blijf staan in de deuropening van zijn slaapkamer. Op zijn tafel ligt een boek die ik al enkele jaren kwijt ben en naast het boek staat een vuil bord met daarop, hoe gek ook, een half opgerookte sigaret. Ik breng het bord naar beneden en blijf in de tuin staan om de sigaret op te roken, kijkend naar het avondrood, terwijl ik me realiseer dat ik de afwas nog moet doen voordat mijn ouders zondagavond thuiskomen. Alsof ze het zullen merken. Ze zijn een weekendje weg na de kleine herdenkingsdienst met familie en goede vrienden, zelfs de duikers hebben zijn lichaam nog niet kunnen vinden.
  Het vieze schuursponsje in de keuken heeft geen schuurlaagje meer, dus moet ik een nieuwe kopen om de pan, de popcorn was opnieuw aangebrand, en de rest van de afwas er de hele zondag mee schoon te schrobben. Niet zo’n gele want die slijt sneller af, maar zo’n gekleurde met een donkergroen randje. Het is jammer dat de buurtsupermarkt op de hoek ze niet meer verkoopt.
  Na de sigaret te hebben opgerookt, kruip ik in bed. Mijn haar kriebelt in mijn neus als ik mijn gezicht meer dan eens in het kussen druk nadat ik me heb drooggewreven met de handdoek die over Conrads bureaustoel hing. Het is makkelijk te doen alsof.
  Tijdens mijn slaap droom ik over Conrads vissen die sinds zijn tiende niet meer in zijn kamer staan. Hij had ze verkocht aan een buurjongen omdat hij er geen moeite mee leek te hebben de vissen niet te verzorgen en mijn moeder vertikte het Conrads kamer te betreden als hij niet had opgeruimd. Dat had ze hem al eerder met zoveel woorden medegedeeld, maar Conrad weigerde te luisteren.
  In mijn droom zwemmen de ontelbare kleine visjes met de prachtigste kleuren uit Conrads aquarium achter elkaar in een rij, onderdoor de rode brug met de verschillende poortjes, totdat ze één voor één naar het wateroppervlak drijven met hun buikjes naar boven, terwijl hun vinnen langs hun kleine lichaampjes naar beneden hangen, tot er geen één vis meer in leven is. Ze blijven allemaal drijven. Meer niet. Levenloos. Met uitzondering van één grijs visje, hij zwemt niet door het poortje, maar drukt zich tegen het glas aan en hapt, met wegdraaiende oogjes, ontzet naar adem.
  Ik schrik wakker in een leeg huis en kan niet meer slapen omdat ik even ben vergeten waar Conrad is. Zwarte vlekken dansen in mijn blikveld als ik rechtop in bed ga zitten met mijn gekromde schouders tegen de muur en ik laat mijn hoofd rusten op de rand van het bed. Het lijkt alsof ik de herinneringen aan Conrad heb geleend van een vriend of verre achterneef. Hoe het ook zij, ze zijn al lang niet meer van mij alleen en worden me afgenomen door de dagen die mijn gedachten met veel geduld en gevoel voor kleur grijs geschakeerd inkleuren. Dit had ik Conrad moeten vertellen, niet zozeer omdat volgens hem herinneringen nooit de gehele waarheid vertellen, maar omdat hij zou zeggen: ‘Tegenwoordig is iedereen een kunstenaar’, waarop ik hem afkeurend zou aankijken en zou antwoorden dat niet alles maakbaar is.
  Misschien dat ik hem nog tegenkom op een plek waar ik hem niet verwacht, wacht hij min of meer elke avond op mij om verder te praten over onvrede en ongeluk en kan ik aan hem zelfs dat verhaal vertellen over de droom en de geleende herinneringen. En mag hij afwezig blijken te zijn, dan raak ik niet beledigd, want als vrijheid werkelijk bestaat is het voor hem gemaakt. Hij weet namelijk nooit hoe lang hij ergens zal blijven.