Dierenrechten: zin en onzin


In onze Westerse samenleving is de mens doorgaans een arrogant en egoïstisch wezen dat de wereld misbruikt alsof die van hem is. We stellen ons op als superieur en houden weinig rekening met de natuur. Niet alleen vervuilen we onze leefomgeving, ook misbruiken we dieren voor dierproeven en onze consumptieverslaving. Over het algemeen zorgen we goed voor onze huisdieren en staan koeien zomers steeds vaker in de wei, maar hebben varkens een ellendig leven, waardoor hun dood zo slecht nog niet lijkt. Gelukkig wordt het welzijn van het dier verdedigd. Deze verdedigers eisen dat we rekening houden met dit welzijn zolang het dier dit bewust beleeft. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat er dieren zijn die wel degelijk een bewustzijn hebben. De vraag is of wij het recht hebben deze dieren te laten lijden. Moeten wij dieren rechten geven en zo ja, waar trekken we de grens? Of is handelen vanuit ons medeleven voldoende?
  Peter Singer publiceerde in 1975 zijn boek Animal Liberation, waarin hij stelt dat de manier waarop wij dieren behandelen te vergelijken is met slavernij, wij zijn de meester en beschikken over hun lot. Tevens bezondigen we ons in onze Westerse samenleving aan speciëcisme, de rechten van bepaalde wezens worden ontnomen vanwege de soort waartoe ze behoren, met andere woorden: we discrimineren dieren. Voor zijn stellingen verwijst Singer naar Jeremy Bentham. Hij stelt vast dat het vermogen om pijn te voelen de wezenlijke eigenschap is die de rechten van een wezen bepaalt. (Shamoo en Resnik 2009, 219) Wanneer we de evolutieleer observeren, zien we dat het zenuwstelsel van een dier op een gelijke wijze is geëvolueerd als bij mensen. Als we Bentham mogen geloven is er geen enkele reden om de mens op moreel vlak superieur te stellen aan een dier, omdat dieren waarschijnlijk evenveel leed kunnen voelen als mensen en dus dezelfde behandeling en rechten verdienen. Niet ‘ik denk dus ik ben’, maar ‘ik voel dus ik ben’ en ‘ik ben dus ik heb waarde’, zoals Michel VandenBosch van GAIA in een debat over dierproeven constateert. (Van Houdenhove 2010, 7)
  Het voorkeursutilitarisme van Singer, waarin gelijkheid een belangrijke rol speelt, is volgens Tom Regan niet geschikt om de welzijnsbelangen van elk wezen te verdedigen. Het utilitarisme streeft naar een zo groot mogelijk geluk voor een zo groot mogelijk aantal mensen. Deze doelstelling kan afbreuk doen aan het dierenwelzijn als een groot mogelijk aantal mensen gelukkig wordt om vlees te eten. Samen met P. Cliteur wijst Regan de instrumentele rationaliteit van Singer af en stelt hij vast dat men af moet van elk gebruik van dieren. Daarentegen moeten we de universele mensenrechten uitbreiden tot alle levende wezens, om dieren beter te beschermen tegen het onrecht van de mens. Eveneens pleit hij voor de oprichting van een Internationaal gerechtshof voor Dierenrechten als controlerend orgaan.
  R. Scruton sluit het toekennen van rechten aan dieren uit. Hij constateert dat een dier niet rationeel kan nadenken zoals een mens. Het concept ‘recht’ is een menselijk begrip en zodoende irrelevant voor dieren. Het bestaat alleen in de morele wereld van de mens. De daden van dieren hebben geen moreel gehalte. Volgens Scruton is er dan ook geen sprake van speciëcisme als je dieren geen rechten toekent. Ook haalt Scruton het principe ‘slavernij’ van Singer onderuit. Volgens hem hoeven gedomesticeerde dieren niet te worden bevrijd, zolang ze goed worden verzorgd. We moeten dieren niet beschermen vanuit bepaalde rechten, maar vanuit onze menselijke eigenschap om medeleven te voelen met alle levende wezens. Dit principe van Scruton komt overeen met de deugdethiek van Aristoteles.
  De Feministische ethiek haakt in op de gedachten van Scruton. Zij gaat nog verder door vast te stellen dat het ethische rationalisme van Singer en Regan een patriarchale vorm van ethiek is. Westerse vrouwen benaderen morele problemen anders dan mannen. Volgens de Amerikaanse psychologe Carol Gilligan denken vrouwen op een relationele en contextuele manier, mannen daarentegen denken in termen van universele rechten en objectiviteit. Omdat we in een patriarchale samenleving leven worden grote thema’s zoals dierenleed of ons gedrag ten opzichte van het milieu op een verkeerde manier benaderd. We zouden de rationaliteit moeten vervangen voor redelijkheid, geen beslissingen maken door enkel te redeneren, maar ook door onze gevoelens te erkennen. Anders zal er altijd een manier zijn om door middel van reden dieren te laten lijden. Ook Martha Nussbaum stemt hiermee in. Volgens haar hebben we de verantwoordelijkheid om onze emoties, die als typisch vrouwelijk worden gezien, onder ogen te komen. Door het aangaan van deze emoties zal een ethiek van het goede leven ook een ethiek van medemenselijkheid en compassie zijn. (Taels 2015, 95)
  Het toekennen van rechten aan dieren, zoals Regan bepleit, is naar mijn mening essentieel om dierenleed te stoppen. Wij behandelen veel dieren als slaaf, ze voorzien ons van eten en kleding, maar leven vaak in erbarmelijke omstandigheden. Het recht om niet te lijden is een noodzakelijk recht dat voor ieder wezen moet gelden. Het oprichten van een Internationaal Gerechtshof voor Dierenrechten vind ik een stap te ver. Recht is een puur menselijk concept zoals Scruton stelt en dieren kunnen niet rationeel nadenken zoals een mens. Toch is het belangrijk bepaalde rechten te formuleren, ondanks het gegeven dat recht een menselijk concept is. Ik ben van mening dat de mens vanuit zichzelf het moreel goede moet doen, ook voor dieren. Het moreel goede, of het medeleven zoals Scruton het stelt, hebben mijns inziens te maken met emoties. Helaas zijn er te veel mensen die niet weten hoe ze moreel moeten handelen of zich distantiëren van een emotionele benadering, omdat ze emoties zien als vrouwelijk en onbetrouwbaar. Ze vinden dit geen goede manier om dierenleed te bestrijden en verkiezen de rationaliteit boven de redelijkheid, ze prefereren beslissingen te maken door middel van hun verstand en gevoelens te negeren. Hierdoor is het onmogelijk dierenleed ten alle tijden voorop te stellen.
  De mens moet niet kijken naar de ongelijkheid tussen mens en dier om het verschil in behandeling te rechtvaardigen, maar naar wat het moreel goede is. Zoals John Stuart Mill aangeeft met zijn ‘no harm’ principe: de mensheid heeft alleen maar het recht om in te grijpen in de vrijheid van een ander, om zichzelf te beschermen. (Turner 2014, 299) We hoeven onszelf niet te beschermen en hebben dus niet het recht dieren hun vrijheid te ontnemen. Het is noodzakelijk dat we dieren behandelen zoals we zelf behandeld willen worden, vooral wanneer het dier een zekere mate van bewustzijn heeft en evenveel pijn kan voelen als een mens. Zo niet, maken we ons schuldig aan discriminatie. De deugdethiek van Nussbaum, waarin mensen worden gevormd tot moreel goede, verantwoordelijke personen en goede eigenschappen ontwikkelen, waar de redelijkheid centraal staat en niet de instrumentele rationaliteit, is de beste manier om dierenleed aan te pakken. Misschien moeten we beginnen met allemaal iets minder vlees te eten.

14/03/2016


Bibliografie