Hoge Bomen


‘Je begrijpt dat er mensen zijn weggejaagd zodat iemand zoals jij hier kan wonen? Honderden mensen. Niet alleen hier.’
  Wat bedoelen ze met iemand zoals jij? We hebben toch recht op dit stuk land zeggen ze dan.
  ‘Vergeet dat nooit.’
  Wat mag ik niet vergeten? Mag ik erover praten met anderen of is het beter om mijn mond te houden? Kom op, beslissingen maken nu.
  ‘Is dat zo erg?’ Het was haar gewoonte haar vader vragen te stellen, doodeenvoudig omdat ze wist dat hij dat graag wilde. Hij zei altijd: Alles wat er op ons afkomt moeten we in vraag stellen.
  ‘Het land was ons toch beloofd?’

Toen ze vanochtend aan kwam lopen zag ze hem hangen, hoog in een boom, waar zelfs de vogels hem met rust lieten. Ze keek naar een achterkant, waarom die achterkant? Als je aan een koord hangt draai je toch rond? Behalve als een tak je tegenhoudt, dan draai je niet.
  De buurman had een paar seconden geleden zijn hoofd nog geschud en een paar woorden gemompeld toen hij in de deuropening naar de grote boom voor zijn huis stond te staren.
  Talia keek naar hem. ‘Hij ziet er grauw uit en zijn hemd hangt uit zijn broek.’
  Haar vader zei: ‘Naar het schijnt is zijn vrouw ziek. Hij is vast net naar de wc geweest of de hele nacht opgebleven omdat zijn vrouw lag te kermen van de pijn. Ze ligt al drie weken op bed.’
  ‘Je krijgt toch van die doorligplekken als je de hele dag op bed blijft liggen? Lijkt me vervelend.’ Hoe ziet dat er eigenlijk uit zo’n doorligplek? Zoals een grote blauwe plek zoals die ene die ik vorige week had ingesmeerd met een zalfje omdat hij niet weg wilde gaan?
  ‘Ga je daar eigenlijk dood van, van zo’n doorligplek?’ Dood. Dat zal stinken als ze niet doucht. Een verpleegster misschien. Met witte sokken.
  Hij stond op, had er simpelweg niet bij stil gestaan dat het zaterdag was vandaag en zei geïrriteerd: ‘Ik denk het niet', keek naar beneden en strikte zijn veter toen hij zag dat die was losgeraakt.
  ‘Zal de buurman het erg vinden als ze dood gaat want als je niet meer kunt slapen? Hoe dan ook, de buurvrouw was erg aardig voor mij want ik kreeg regelmatig een vers eitje in mijn handen geduwd. Misschien moet ik zelf een kip nemen voor de verse eitjes die ik straks niet meer krijg als de buurvrouw dood — ‘
  ‘Dan moet je een kippenhok bouwen, ze kan niet zomaar los in de tuin.’
  Talia veegde het haar uit haar gezicht. Ze had geen dorst meer.
  ‘Ja ja een kippenhok.’ Niks geen kippenhok.
  Hij leek geamuseerd. ‘Inderdaad een kippenhok.’
  ‘Misschien. Ze bleef met bewondering naar de boom staren. ‘Dat lijk in de boom, is dat vanwege die hekken omdat wij hier eigenlijk niet mogen wonen?’
  Deze ochtend had ze een rondje gerend. Het grasveld was bedekt geweest met mist. Ze had het lijk pas gezien toen haar vader haar er van een afstand op had gewezen.
  Hij gaf geen antwoord maar keek omhoog.
  Even later zei hij: ‘Vergeet je je broertje niet?’
  Ze frunnikte aan het kettinkje om haar hals. ‘Waarom zou ik mijn broertje vergeten? Sleutel. Heb ik mijn sleutels wel meegenomen? O nee alweer ben ik ze alweer? Ze zitten nog in mijn andere broekzak die broek die ik gister aanhad die nu over de stoel hangt in de slaapkamer. Te gehaast. Even voelen. Voor de zekerheid. Hier. O gelukkig toch hier!
  Ze keek naar haar vader die de boom van de andere kant wilde bekijken. Haar broertje. Niets liever dan bomen beklimmen. En als hij boven was riep hij trots haar naam zodat ze zou komen kijken. ‘Talia! Talia kom kijken hoe hoog ik ben! Ik ben nog nooit zo hoog geweest!’ Beide beentjes stevig vastgeklemd om de dikke tak waarop hij zat. ‘Waarom zou ik mijn broertje vergeten?’
  Ze deed haar ogen half dicht en keek door haar wimpers naar het lichaam schuin boven haar hoofd dat door de oostenwind rond zijn as begon te draaien. Fel dat licht. Is dat een man of een vrouw? Waar kan je dat nog aan zien tegenwoordig? Haar blik dwaalde af en volgde met haar ogen een zwarte vogel die wegvloog en neerstreek op een elektriciteitsdraad, links naast haar ouderlijk huis.
  ‘Denk je dat die onbekende in die boom geschreeuwd heeft om hulp?’
  ‘Waarschijnlijk was zijn nek al gebroken.’
  ‘Misschien daarvoor. Zou ik wel doen.’
  ‘Nee dat denk ik niet.’
  ‘Vreselijk. Wat zouden zijn laatste gedachten zijn geweest?’ Ik moet er niet aan denken om met een zak over mijn hoofd naar boven te worden gedragen en mijn handen vastgebonden. Doen ze dat eigenlijk nog? Het zal wel knellen dat touw aan je polsen.
  ‘En in welke God zou hij hebben geloofd?’ Een hemd uit een broek want dat kon ze wel zien vanaf hier dat het een hemd en een broek waren. Ze knikte.
  ‘Geen idee.’
  ‘Zijn we tegenwoordig niet allemaal God?’

Haar vader had haar ooit eens uitgelegd waarom er zoveel soldaten en hekken en dode mensen waren en had geen enkel detail achterwege gelaten. Zijn gezicht had ernstig gestaan toen hij haar ontsteld de foto’s liet zien van het voormalige dorp waarin ze nu woonde. Ze had gebloosd en gekeken naar de beelden die ze nog nooit op het nieuws had gezien, waar vrouwen radeloos leken te schreeuwen en grote groepen verminkte lichamen op elkaar gestapeld lagen, op één hoop bij elkaar geveegd om te worden verbrand, zoals de boeren zieke koeien op elkaar hadden gestapeld toen ze nog in het noorden woonden. Ze kon nog altijd de geur van dode koeien ruiken en het gegil van haar moeder horen toen ze samen met haar jongere broertje thuiskwam nadat ze de grote tuin waren uitgeglipt, zij met modder op haar jurk en hij met bloedvlekken op de knieën van zijn broek, trekkend aan haar arm omdat hij bang was naar binnen te gaan.

‘Waarschijnlijk wel nu we God zijn verloren.’
  ‘Ja, wij. Maar de mensen in het dorp niet. En die man in de boom ook niet.’
  Hij vroeg: ‘Zijn zei God niet verloren denk je?
  ‘Nee. Ja. Misschien toch wel, anders waren ze wel liever voor elkaar.’ Ze keek weg van haar vader. ‘Of God wil graag dat de mensen lijden.’
  Talia liep naar haar vader aan de andere kant van de boom. Waar hij woont zijn de dingen vast beter. Trouwens, die schoenen van dat lijk zien er versleten uit. Mooi wel. Herkenbaar ook. Ik moet mijn schoenen nog wegbrengen. Beter morgen als de winkels open zijn. Haar vingers frunnikten weer aan het gouden kettinkje. Het slotje hing van voor.
  ‘Is er niemand in de straat aanwezig die kan helpen?’
  ‘Om het lijk uit de boom te halen? Nee het is herfst, iedereen heeft het dorp verlaten om ergens anders de zon te vinden, net zoals jij. Altijd meer willen hebben dan nodig. En ik kan nu niet zomaar de buren storen.’
  Hij leek boos nu en riep: ‘Ik hoef geen zon! Die klote zon! Ik kon me niet verzoenen met de mensen die zijn gevlucht en vermoord.’ Hij zweeg even. ‘Daarom. In het noorden is er geen onderscheid tussen de verschillende geloven. Geloof me, dat is beter.’
  Ja ach, makkelijk wel. Nu praten ze over mij. Vaak. Omdat ze denken dat mijn vader zich te goed voelt om in het dorp te blijven wonen. Als ze langs liep was er stilte. En er waren ogen die haar met medelijden aankeken alsof ze loslopend wild was. Die stilte. Neerbuigend. En die haat ook vond ze.
  'Ze haten niet alleen jou, ze haten hier iedereen, omdat ze niemand kunnen vertrouwen.' Vooral de mensen van buitenaf. Want er waren andersgelovigen met verkeerde ideeën. De mensen uit het dorp waren het er in ieder geval allemaal over eens dat ze recht hadden op de grond waarop ze stonden, nu ze de lijken hadden verbrand en hun nieuwe huizen hadden gebouwd. Dat had Myriam haar verteld.

‘Waar is David eigenlijk?’
  ‘Geen idee’, en hij liep richting de deur om zijn spullen te pakken. Hij zei bitter: ‘Velen waren blij vanwege de dode lichamen in de straat. Zolang ze zelf maar veilig zijn en van wat ze bezitten niet alles wordt afgenomen zoals zij constant om hen heen zien gebeuren.'
  ‘Maar papa, je zegt toch altijd dat alles wat er gebeurt niet erger is dan iets anders?’
  Hij was bijna bij de deur en draaide zich om. Hij zei: ‘Ja dat is waar.’ Hij liep verder. ‘We vergeten snel.’
  ‘Het zijn altijd de grote monden die winnen hè?’
  ‘Inderdaad. Helaas wel.’
  ‘Zijn de mensen uit het dorp niet gewoon bang?’
  ‘Ja net als dieren.’
  Waarom als dieren? Zij zijn niet slechter dan mensen. Dat is de natuur. ‘Ik denk niet dat ik bij zulke mensen in de buurt wil zijn. Zo gauw mogelijk kwijtraken die mensen.’ Talia keek nog maar eens omhoog. Wantrouwend. Het lichaam hing aan een rood, stug koord. ‘Het lijkt een verminkt lichaam.'
  'Hé waar ga je naar toe?’
  Hij antwoordde niet meer maar liep richting de parkeerplaats waar zijn auto stond.
  ‘Ik mis jullie!’ Het was lang geleden. Hoe lang eigenlijk, een paar maanden?
  Een van de soldaten op de hoek van de straat had haar gehoord en liep in de richting van waar Talia stond.
  ‘Papa! Had ik de soldaten moeten waarschuwen?’
  Het bleef stil.
  Voordat de soldaat naast haar stond om te vragen wat er aan de hand was, richtte ze haar blik naar boven. De soldaat volgde de richting waarnaar haar vinger wees. Hij lachte.
  Hij zei: ‘Ik kan begrijpen dat dit heftig is om te zien. Laat het een waarschuwing zijn. Hoewel het de laatste maanden rustig is, moeten we alert blijven.’
  Ze keek vertwijfeld naar zijn gezicht alsof ze zijn woorden niet goed had verstaan. Toen zag ze het zwarte vuil onder haar nagels. Proberen het eronder vandaan te pulken met een tandenstoker? Die vond ze gebroken in haar broekzak. Ze maakte rustig aanstalten de soldaat te negeren. Is het ... nee dat kan niet. Ze schudde haar hoofd.
  De soldaat zag haar terughoudendheid en lachte nogmaals, iets luider nu. Ze rook de alcohol in zijn adem.
  Hij zei: ‘U hoeft niet bang te zijn, we halen hem morgen naar beneden.’ Hij draaide zich om en liep terug naar zijn collega’s op de hoek van de straat.
  Het stinkende bundeltje is dus toch een man. Kan ook niet anders. Ze riep haar vader na: ‘Hé is David nog bij jou?’