Manifest


‘Waarom reist u met een metro door donkere tunnels, om te staren naar uw onvolmaakte asgrauwe gezicht in de ramen en naar de kleding die u maar drie keer per jaar draagt omdat uw kast te vol hangt met spullen die u eigenlijk niet nodig heeft?’ Hij twijfelde even. Ach, dit heb ik eerder gedaan. Erkenning. Hij vervolgde: ‘Modern, maar wezenloos. Want diepgrijze groeven tussen uw neus en lippen wijzen naar beneden en zullen niet veel meer veranderen. Hooguit worden ze zwarter door het vergeten vuil aan uw handen.’
  Via de spiegel keek hij hem aan, vouwde de krant die hij enkele minuten daarvoor nog met veel interesse aan het lezen was op en legde haar neer. Zijn ogen bleven op zijn gezicht rusten. Hij zei: ‘Dit is toch niet op mij van toepassing hoop ik?’ Zijn brillenglazen waren vuil. Hij merkte dat. Zijn vuile brillenglazen. Natuurlijk. Hij nam zijn bril en een doek uit zijn broekzak, spuugde op zijn doek en begon zijn bril te poetsen. Draaide het om.
  Hij kuchte en met zijn ogen volgde hij via de reflectie de bewegingen die hij maakte. Een beetje moeite doen. In alle ernst ging hij verder: ‘Laten we zoveel mogelijk zwarte vogels blijven tellen en veroordelen.’ Onrecht. Verdomme! ‘En vlucht zodra uw verbazing plaats maakt voor werkelijkheid. Wie hard rent des te beter.’ Hij kuchte nogmaals en keek naar hem. Verstoord wel. Niet terug. ‘Omdat u niet langer gelooft en ik me vergis in uw zelfgenoegzaamheid. Toch? Ten slotte is elk zinnig woord een representatie van ons eigen gelijk.’ Hij glimlachte en zei bijna opgetogen. ‘Net zoals verandering niet begint bij jezelf.' Ha! In gedachte maak ik een buiging.
  ‘Tja.’ Hij zocht gedurende het schoonmaken van zijn bril naar de juiste woorden. Twee huizen verder waren ze aan het verbouwen, maar hij liet zich niet storen door het tumult. Hij grinnikte. Zijn slappe kin ging op en neer. ‘Het is grappig dat u dit zegt, maar morgen ben ik het tot mijn spijt waarschijnlijk alweer vergeten, want hoeveel woorden heb ik vandaag wel niet gelezen en hoeveel meningen heb ik gehoord? Hoeveel informatie heb ik tot mij genomen? Al dat nieuws, al die schrijvers, journalisten en kunstenaars! Daarvan kan ik toch niet alles onthouden!’
  Nu dan. Het is hier koud. Hij liep weg maar draaide zich halverwege om zonder van zijn plaats te komen. Dit is idioot. Hij zei: ‘U doet uw best, dat waardeer ik, maar val me er niet constant mee lastig wilt u?!’ Hij liep weer terug naar de spiegel, zag zijn spiegelbeeld en mopperde: ‘Al die ongezouten meningen die men tegenwoordig verkondigt, en maar zeggen wat ik moet vinden! Ik bepaal toch zeker zelf wel wat ik doe! Vraag me wat ik vind en ik geef u een antwoord. Nergens op gebaseerd. Of op alles zoals u wilt. Trouwens, u zinspeelt op mijn zenuwen.’
  Hij keek verontwaardigd en enigszins verveeld. Lusteloos daarna. Dit spelletje had hij al te vaak gespeeld. Zolang je jezelf maar blijft geloven. Hij zei: ‘Maar meneer, u weet toch dat u niet alles zo serieus moet nemen? U hoeft het alleen maar te veinzen. Het zijn altijd de woorden die iemand niet zegt die er werkelijk toe doen, want men is stekeblind voor wat hij hoort.’
  Hij liep naar de deur en deed het licht uit.