De poststructuralistische vrijheid van Claus
									

‘Men leest niet, en als men leest, dan leest men zonder al te veel bagage ook. En ik ben iemand, die benaderd moet worden met bagage, niet op het eerste niveau, want het zit vol klemmen en verdichtsels, waarvoor men een beetje de moeite moet doen, als men wil lezen op de diverse niveaus. Natuurlijk zorg ik ervoor dat iemand, die dat niet weet, ook enig plezier aan die boeken kan hebben.’ (Roggeman 1980, 122)
Dat Hugo Claus niet zuinig was met zijn intertekstuele verbanden, verwijzingen en woordraadsels is een understatement met als resultaat de talloze studies en artikelen die gewijd zijn aan zijn oeuvre. Vele procedés zijn besproken, maar als het op rolomkering en genderidentiteit aankomt, wordt het beduidend interessanter. Jos Van Thienen heeft 25 pagina’s nodig om zijn inzichten met betrekking tot gender, identiteit en het oedipale complex in Het verdriet van België met ons te delen. Hij probeert te verduidelijken wat Claus met zijn procedés wil bereiken en hoe we komen tot een poststructuralistische vrijheid.
  Vrijheid is voor Claus van grote waarde. Zijn boeken zijn vaak een opvallende tirade tegen de maatschappij en de gevestigde orde. Volgens Georges Wildemeersch heeft deze belangstelling alles te maken met zijn bewondering voor het surrealisme. In zijn boek Hugo Claus, de jonge jaren beschrijft hij hoe Claus in aanraking komt met het surrealisme, die de ambitie had te streven naar een maximale vrijheid en onafhankelijkheid voor de mens. Centraal staat het individu die in zijn ontwikkeling wordt geremd door de maatschappij. (Wildemeersch 2015, 251) Claus gebruikt het surrealisme als verzet tegen het rationalisme en staat door de beperkingen van het rationalisme open voor alle vormen die ‘het andere’ aanneemt. Wildemeersch vraagt zich af hoe Claus uitdrukking geeft aan de poging om aan die onvrijheid te ontkomen, (Wildemeersch 2009, 113) of in andere bewoording: hoe deze vrijheid te vervaardigen?
  In zijn artikel ‘Louis & Co. Identiteit en gender in Het verdriet van België van Hugo Claus’ geeft Van Thienen antwoord op deze vraag, hij beschrijft hoe Claus personages in elkaar laat overvloeien en hoe de grenzen van gender en identiteit elkaar overschrijden. Volgens Van Thienen wil Claus de rolverdeling die de maatschappij ons heeft opgelegd zoals identiteit, gender en sekse openbreken. Hij wil het verschil tussen man en vrouw, ik en ander, subject en object vervagen, om tot een nieuwe ruimte toe te treden waar geen hiërarchische structuren zijn, waar geen eigen identiteit is maar waar de ik samengaat met de ander zodat er dubbelzinnigheid, vermenging en verwarring ontstaat, hybriditeit. Zoals Van Thienen het zelf aangeeft: ‘De lezer kijkt door de ogen van een verteller die zichzelf verliest in een complex van projecties, identificaties, maskerades en imitaties’. (Van Thienen 2003, 52) Door het overschrijden van deze grenzen vervalt de onafhankelijkheid van het personage en ontstaat er een androgyne, vaak relationele identiteit die volgens Van Thienen wordt geaccentueerd door middel van rolomkering man/vrouw, travestie, het dubbelgangersmotief en de vele tweelingen, die net zoals de letter Y representatief zijn voor hermafroditisme. (58-59) Claus gebruikt niet alleen menselijke kenmerken, personages worden regelmatig ook dierlijke eigenschappen aangemeten. Het resultaat is wanorde en ambiguïteit, er ontstaat een kader waarin personages veranderen en kunnen ontsnappen aan de opgelegde maatschappelijke dwang. Dit leidt tot de vrijheid waar Claus naar streeft.
  Een grote belemmering voor deze vrijheid is de vaderfiguur, die zelden een dominante persoonlijkheid is in het werk van Claus, zo ook in Het verdriet van België. De vader staat synoniem voor orde, gezag en de restricties die de patriarchale samenleving ons oplegt, de restricties waar Claus zo van walgt. Claus’ afkeer voor de vaderfiguur is niet toevallig. Het is een verklaring voor de constante terugkeer van zijn oedipale thematiek, waarbij de zoon erotische gevoelens ontwikkelt voor zijn moeder en zijn vader als concurrent beschouwt. Louis begeert zijn moeder maar ziet haar ook als dominant en afschrikwekkend. Hij vergelijkt haar met Medusa, wanneer ze verraad pleegt door een dokter te vragen Louis’ geslachtsdeel te onderzoeken, ‘Slangen wriemelden uit haar haar,’ (Claus 2013, 399) en met Madonna wanneer zij speciaal voor zijn thuiskomst een blauwe jurk met witte noppen heeft aangetrokken en haar blauwporseleinen oorbellen draagt. (81) Volgens Van Thienen is deze vergelijking van Louis een verwijzing naar de symbolische oermacht van de Grote moedergodin en brengt Claus de psychologische problematiek van zijn personages naar het niveau van de mythologie. De oedipale spanning verkrijgt zo een extra sociale dimensie. (Van Thienen, 70) Deze Grote moedergodin is tweeslachtig en representeert de fallische vrouw. Ze staat centraal voor de hybriditeit die Claus creëert, mede dankzij haar vervagen de grenzen van gender en identiteit, ze is immers vrouw en man tegelijk.
  Voor Louis is de vrijheid waar Claus naar streeft helemaal niet zo evident. Hij groeit op in een onbegrijpelijke wanorde, waarin de maatschappij identiteit ziet als eenheid, ‘waar regelmaat en orde heersten onder de mankepoten, waar ik [Louis] de enige wanordelijkheid was’. (Claus 2013, 454) Louis zit in een tweestrijd, hij verlangt naar de eenheid maar zijn onmacht weerhoudt hem een vastomlijnde (gender) identiteit aan te nemen. Of is het onwil? Louis is een Seynaeve, maar wil niet worden vergeleken met zijn vader, hij ziet hem immers als tegenstander. Liever wordt hij vergeleken met de Joden. ‘Ik kan wel pissen van trots (…) als de joden, dacht hij, als de joden zal ik verjaagd worden over de wereld.’ (245) Louis begrijpt dat deze vergelijking niets oplost, het leven van de joden is in de jaren 40 alles behalve ordelijk. Louis heeft de wanorde nodig, zijn androgyne identiteit is zo slecht nog niet om als ‘zoon’ weerstand te bieden aan al dat matriarchale geweld. Hij heeft een boek te schrijven.
  Het verdriet van België kan gelezen worden op een deconstructieve manier zoals Van Thienen doet door afstand te nemen van het idee van één onderliggende structuur. Hij benadrukt in zijn artikel dat de procedés die Claus gebruikt meerdere betekenissen kunnen hebben. Duidelijk is dat Claus afstapt van de rationaliteit en zich niet vastlegt op een eenzijdige betekenis van zijn werk. Dankzij crossovergedrag en het achterwege laten van binaire opposities creëert Claus zijn poststructuralistische vrijheid.

15/01/2016


Bibliografie